Doelgroep en voorraad sociaal

Afhankelijk van de hoogte van hun inkomen, kunnen huishoudens in aanmerking komen voor een sociale huurwoning en huurtoeslag. In 2016 bestaat in Zuid-Holland 39% van de woningvoorraad uit sociale huurwoningen. De voorraad en de doelgroep van sociale huurwoningen komen niet altijd met elkaar overeen. Daarbij woont een deel van de doelgroep in een koopwoning en woont een deel van de huishoudens goedkoop scheef. Van alle huishoudens in Zuid-Holland die in een huurwoning wonen, is 69% passend gehuisvest, wat wil zeggen dat de bruto huurprijs in redelijke verhouding staat tot het huishoudinkomen.

 

Om huurwoningen betaalbaar te houden voor lagere inkomensgroepen, is een deel van de huursector gereguleerd en zijn sociale huurwoningen in het leven geroepen. Deze woningen voldoen aan een aantal regels, vastgesteld door het Rijk. Afhankelijk van de hoogte van hun inkomen, kunnen huishoudens in aanmerking komen voor een sociale huurwoning en huurtoeslag.

Sociale voorraad

In tegenstelling tot huurwoningen in de vrije sector, zijn sociale huurwoningen aan een aantal specifieke regels gebonden. Zo gelden er maximale huurprijzen en een maximale huurverhoging. Een sociale huurwoning is een woning met een rekenhuur van maximaal € 710,68 per maand (prijspeil 2017). Een sociale huurwoning kan in eigendom zijn van woningcorporaties of particuliere verhuurders.

De voorraad sociale huurwoningen als aandeel van de totale woningvoorraad is weergegeven in het tweede tabblad hierboven.

In 2016 bestaat in Zuid-Holland 39% van de woningvoorraad uit sociale huurwoningen (van woningcorporaties en particuliere verhuurders tezamen). Dit is onveranderd ten opzichte van 2015.

Het aandeel sociale huurwoningen kan binnen een regio per gemeente behoorlijk verschillen. In regio Rotterdam ligt het aandeel sociale huurwoningen in 2016 tussen 18% (in Westvoorne) en 53% (in stad Rotterdam).

Verhouding doelgroep en voorraad

​Sinds de invoering van de Woningwet 2015 moeten woningcorporaties zich concentreren op hun kerntaak: tenminste 90% van de vrijkomende sociale huurwoningen verhuren aan hun doelgroepen.

De belangrijkste doelgroep van woningcorporaties zijn huishoudens behorende tot de lagere inkomensgroepen. De woningcorporatie moet jaarlijks ten minste 80% van de vrijkomende sociale huurwoningen aan die groep toewijzen. Daarnaast mogen zij tot 2021 10% van de vrijkomende woningen toewijzen aan huishoudens behorende tot een midden inkomensgroep. De overige 10% van de vrijkomende sociale huurwoningen mogen woningcorporaties vrij toewijzen. Actuele regels en definities over passend toewijzen vindt u hier.

In het derde tabblad hierboven is de verhouding tussen de doelgroep voor een sociale huurwoning (de lagere inkomensgroepen) en de voorraad van sociale huurwoningen (van woningcorporaties plus particuliere verhuurders) per regio weergegeven.

Verder is in deze grafiek ook het aantal huishoudens dat goedkoop scheef woont per regio toegevoegd. Dit zijn huishoudens die op het moment van de meting niet (meer) tot de doelgroep behoren, maar wel in een sociale huurwoning wonen. Ook is weergegeven het aantal huishoudens binnen de doelgroep voor een sociale huurwoning, dat in een koopwoning woont.

De doelgroep en de voorraad van sociale huurwoningen – rekening houdend met goedkope scheefheid en bewoners van koopwoningen – komen niet altijd met elkaar overeen. Daarmee lijkt er een tekort aan sociale huurwoningen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de doelgroep wordt bepaald aan de hand van inkomensgegevens op het moment van de meting, zonder rekening te houden met het vermogen van een huishouden.

Passend en scheefwonen

Naast huishoudens die goedkoop scheefwonen, zijn ook cijfers beschikbaar over huishoudens die duur scheefwonen. Een huishouden woont duur scheef wanneer deze op basis van zijn inkomen recht heeft op huurtoeslag en woont in een (sociale of niet-sociale) huurwoning met een huurprijs boven de aftoppingsgrens. Wanneer de bruto huurprijs in redelijke verhouding staat tot het huishoudinkomen, is een huishouden passend gehuisvest.

In de grafiek op het vierde tabblad is weergegeven hoeveel huishoudens passend gehuisvest zijn, goedkoop scheefwonen of duur scheefwonen.

De meeste huishoudens binnen Zuid-Holland zijn passend gehuisvest bij zowel woningcorporaties (71%) als bij particuliere verhuurders (64%). In totaal is 69% passend gehuisvest.

Met name de toe- of afname van het aantal scheefwonende huishoudens door de tijd heen is interessant om iets te kunnen zeggen over de doorstroming op de woningmarkt. Daarvoor zal deze informatie ook voor de komende jaren gemonitord moeten worden. 

Ontwikkeling aantal huurwoongelegenheden

Woningcorporaties leveren ieder jaar de Prospectieve informatie (dPi’s) aan het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en de Autoriteit woningcorporaties (Aw). dPi gaat in op de voornemens van de woningcorporatie voor de komende tien jaren. Dit zijn voornemens over het huurbeleid, verkoop, sloop en nieuwbouw. Naar aanleiding van de meerjarenbegrotingen van de woningcorporaties kan inzicht worden verkregen in de ontwikkeling van de sociale huurvoorraad.

De verkregen gegevens zijn niet volledig. Om toch een volledig beeld te krijgen van de ontwikkeling van het aantal sociale huurwoongelegenheden heeft RIGO een berekening gemaakt. Daarvoor heeft RIGO gebruik gemaakt van de dPi’s en dVi’s (de Verantwoordingsinformatie) van de corporaties en rekening gehouden met het effect per prijsklasse en de verdeling van het bezit van corporaties binnen gemeenten.

In het laatste tabblad hierboven is de te verwachten ontwikkeling van het aantal huurwoongelegenheden weergegeven naar aanleiding van het beleid van de woningcorporaties. Voor iedere regio is apart weergegeven wat de te verwachten ontwikkeling is (in oranje), en is dit verder uitgesplitst voor verschillende prijscategorieën (in blauw).

Uit de figuur kan worden opgemaakt dat er tussen 2015 en 2020 per saldo relatief weinig verandert in het aantal huurwoongelegenheden. Wel wordt in de meeste regio’s in 2020 een kleinere voorraad van goedkope en betaalbare woningen verwacht en een ruimere voorraad van duurdere huurwoningen ten opzichte van 2015.

Bronnen

Centraal Bureau voor de Statistiek

Lokale Monitor Wonen

CorpoData

RIGO Research en Advies